Wilde je in een Middeleeuwse stad een ambacht leren, dan moest je al vroeg bij een meester in de leer. Als leerling van zes of zeven jaar kwam je in zijn huis te wonen. Je ouders moesten daar een flink bedrag aan leergeld voor betalen. De leertijd duurde ongeveer zeven jaar. Dan kreeg je van de meester een soort diploma: je werd gezel. Als gezel kwam je voor een loon in dienst bij een meester. Een eigen bedrijfje mocht een gezel echter van het gilde niet beginnen. Dat mocht alleen een meester. Om meester te worden moest een gezel een meesterproef doen. Daarmee liet hij zien dat hij het ambacht goed beheerste. Vanaf hun negende of tiende jaar gingen veel meisjes het huis uit om te gaan werken als dienstbode of gingen ze in de leer bij een meestersvrouw. Toch eindigde hun leertijd vaak als ze ongeveer vijftien waren, de leeftijd waarop ze meestal trouwden. Vrouwen oefenden wel eens een vak uit aan de zijde van een mannelijk familielid, maar ook wel zelfstandig. Ze waren werkzaam in de textiel- en kledingnijverheid, in een brouwerij of bakkerij, of in de levensmiddelenhandel; ze maakten schoenen, handschoenen en hoeden, dreven herbergen en taveernes, of werden leerling-speldenmaker of -drukker. Er was bijna geen vak waarin geen vrouwen werkten. Een weduwe zette vaak zelfstandig het bedrijf van haar man voort en nam haar eigen leerlingen en gezellen in dienst. Vrouwen konden echter, in tegenstelling tot mannen, meester worden. Gilden
Een gilde was een vereniging van ambachtslieden met hetzelfde ambacht (beroep). Zo hadden apothekers, schoenmakers, bakkers en bierbrouwers ieder hun eigen gilde. Als een jongen in de Middeleeuwen smid wilde worden dan ging hij niet naar een speciale school, maar ging hij in de leer bij een smid. Als alles goed ging dan werd hij na een tijdje benoemd tot gezel. Een gezel werkte in loondienst bij zijn leermeester. Als bleek dat de gezel echt goed was in zijn vak, dan kon hij ook meester worden. Hij moest dan eerst een heel goed werkstuk maken, een meesterstuk. Als het gilde dit meesterstuk goed keurde, dan werd een gezel meester. Een meester mocht een eigen bedrijf beginnen. Het gilde bepaalde hoeveel leerlingen en gezellen een bedrijf mocht hebben. Het gilde verdeelde ook het werk over de verschillende leden. Als een gildebroeder zich misdroeg en slecht werk afleverde, mocht hij geen lid meer blijven van het gilde. Leertijd
Wie lid wilde worden van een gilde, moest er vroeg bij zijn. Een leerling begon op zijn veertiende, soms zelfs eerder. Gemiddeld duurde de leertijd vier jaar, waarna de leerling knecht of gezel werd. Een gezel was nog geen volwaardig lid van het gilde. Dat waren alleen de meesters. Om zelf meester te worden moest een gezel veel betalen en een meesterstuk maken, een duur en ingewikkeld werk. Veel gezellen bleven daarom hun hele leven knecht.