De Middeleeuwse samenleving in de tijd van de kruistochten bestond uit een standenmaatschappij.
Er waren drie standen: de adel, de geestelijkheid, de burgerij en de boeren.
De adel stond bovenaan en net daaronder stond de geestelijkheid.
Deze standen hadden veel meer macht dan de burgerij en de boeren.
In de Middeleeuwen bestond de burgerij vooral uit de mensen die in de steden woonden.
Deze mensen hadden vaak meer kans op welvaart dan de boeren.
Hierdoor waren ze ook een stuk minder afhankelijk dan de boeren, maar ze hadden niet veel meer te vertellen dan de boeren.
Sommige mensen uit de burgerij hadden het geluk bijna of even rijk te worden als de adel en hadden dus ook meer macht en rijkdom dan de andere mensen van de burgerij en daarbij ook meer macht.
De vrouw had in de Middeleeuwen een ondergeschikte plaats in de samenleving. Haar functie was voornamelijk het krijgen van kinderen, zorgen voor de kinderen (het gezin), het eten, het huis onderhouden en soms ook meehelpen op het land.
De kinderen hadden in de Middeleeuwse samenleving niet zo'n grote rol. Als ze uit een boerengezin kwamen, hielpen ze meestal mee op het land of met het onderhouden van het huis. De kinderen in de steden kregen vaak les van nonnen of monniken.
Vanaf 1550 kreeg de stedelijke burgerij een sterke positie, maar de positie van gewone volk blijft nog even slecht.
Hieronder staan twee sites waar meer te lezen is over de Middeleeuwen.
De derde link verwijst naar het boek "Midden Kennemerland in de Vroege en Hoge Middeleeuwen" door Bert Koene,Fred Schweitzer,ea