Al in voorhistorische tijden werden oergranen met behulp van stenen of iets wat op een vijzel leek, gemalen en tot een pap geroerd.
Als die pap op hete stenen gebakken werd, ontstonden er platte koeken die als vlaaien, dus een soort brood, gegeten werden.
Na 1800 v Chr. (brons en ijzertijd) vervingen rogge, gerst, gierst, tarwe en haver de oorspronkelijke oergranen en het gebruik van oliehoudende zaden nam toe.
In Scandinavië groeien/groeiden er door de barre omstandigheden niet veel soorten graan,maar rogge wel (als de winters niet al te koud waren).
Uit deze periode stamt het knäckebröd, destijds grote ronde broden uit gerst of rogge met een gat in het midden om ze op te hangen en zo te bewaren
Knäckebröd werd door de Vikingen op hun strooptochten meegenomen omdat het enkele maanden houdbaar was.
Tegenwoordig worden in Noorwegen, Zweden en Finland dergelijke ronde platte broden nog steeds verkocht als knäckebröd.