De VOC legde de basis voor de zeer uitgebreide koloniale handel en politiek van de Nederlanden.
Zoals blijkt uit onderstaand citaat:
"De eerste geheel door de VOC zelf uitgeruste vloot voer uit in 1603. De schepen waren zwaar bewapend, want behalve het drijven van handel had de commandant van de vloot, de admiraal, de opdracht zoveel mogelijk schade toe te brengen aan de Portugezen. De eerste vloot had direct succes, want zij slaagde er onder meer in de Portugese posities op Ambon in te nemen. Hierdoor werd de eerste stap gezet op de weg naar de realisering van een wereldwijd monopolie in de handel in kruidnagelen. Bovendien kreeg men door de overname van Ambon voor het eerst grondgebied in handen. De VOC werd zodoende heerser over Aziatische onderdanen."
Uiteindelijk beheerde de VOC een handelsnetwerk dat zich uitstrekte van Jemen via Perzië, de kusten van India, Ceylon, Arrakan (in het huidige Birma), Malakka, Siam (Thailand), de Indische archipel, Vietnam, China tot Japan.
Hoewel het de VOC primair om de handel te doen was, werd zij langzaam maar zeker ook een territoriale macht, op Ceylon en in de Molukken, maar vooral op Java.
Aan het einde van de 18e eeuw, in 1794 waren de tekorten van de VOC tot grote hoogte opgelopen, terwijl de val van het stadhouderlijk bewind van Willem V in maart 1795 de verbreking van de contacten met Azië betekende. De schepen die naar Nederland onderweg waren, werden óf door de Engelse marine opgebracht óf moesten hun toevlucht zoeken in vreemde havens. Onder deze omstandigheden viel het bedrijf niet meer te redden. In december 1795 besloten de door de patriotten gedomineerde Staten-Generaal het octrooi van de VOC weliswaar tot het einde van 1798 te verlengen, maar tevens per 1 maart 1796 de Heren XVII te vervangen door een ‘Committé tot de zaken van de Oost-Indische Handel en Bezittingen’. Hoewel het octrooi van de VOC pas eind 1799 nietig zou worden verklaard, was de compagnie met de besluiten van december 1795 in feite genationaliseerd en had opgehouden te bestaan.
Dit betekende zeker geen einde aan expansie politiek en kolonialisme.
Nederland koloniseerde haar overzeese gebiedsdelen en profiteerde van de grondstoffen die daar vandaan kwamen.
De motivatie voor kolonisatie werd en wordt vaak gezocht in het belang om goedkope grondstoffen en gegarandeerde afzetgebieden te hebben. Dat is maar heel betrekkelijk: enkele van de welvarendste economieën van Europa hebben nooit of in zeer geringe mate kolonies gehad. Verder is gebleken dat door het bezit van een groot koloniaal rijk de economie zich eenzijdig ontwikkeld en er weinig vernieuwende impulsen plaatshebben. De kosten zijn bovendien groot.
Toch kan in het algemeen gesteld worden dat staten die koloniseerden daar economisch enorm van geprofiteerd hebben, terwijl de gekoloniseerde landen voornamelijk dienden als leverancier van de goedkope grondstoffen.