Water bestaat uit moleculen, die elkaar heel stevig vast houden. Het kost veel kracht om de binding tussen de moleculen te verbreken. Maar nog belangrijker: water is heel zwaar, waardoor er even wat tijd voor nodig is om het opzij te krijgen. Dat merk je bijvoorbeeld als je met je platte hand op een bakje water slaat, dat voelt zelfs hard aan. Je krijgt het water het beste opzij als je de kracht concentreert op een klein oppervlak water, bijvoorbeeld door met je handen vooruit in het zwembad te duiken. Dan vorm je een soort wig die het water klieft.
Als je plat op je buik of je rug in het water valt vanaf 10 meter hoogte is het voor het lichaam alsof je op een houten plank valt. De snelheid waarmee je valt is ook van belang. Je kunt er op zijn minst enkele kneuzingen aan over houden.
Zelfs geoefende schoonspringers maken wel eens ongewild een 'platte val'. Daarom worden er bij het oefenen om die val enigszins te verzachten, in het zwembad luchtbellen gepompt. Dit breekt de oppervlaktespanning van het water. (zie het bericht uit de Trouw in bron 2).