Het Burgerlijk Wetboek van Nederland bepaalt dat de keuze van voornamen in principe vrij is. “Alleen voornamen die ongepast zijn of die overeenstemmen met bekende geslachtsnamen die niet tevens gebruikelijke voornamen zijn, moet de ambtenaar van de burgerlijke stand weigeren” ( Boek 1, titel 2, artikel 4, lid 2). Onder ‘ongepast’ wordt verstaan: wat ingaat tegen de geldende zeden. Ook geestige namen kunnen ongepast zijn; de drager zou er immers in zijn verdere leven alleen maar last van ondervinden. ‘Hitler’ moet dus niet alleen geweigerd worden omdat die naam ongepast is, maar ook omdat het een bekende geslachtsnaam is die niet tevens een gebruikelijke voornaam is.