Desiderius Erasmus was de onbetwiste leider van het humanisme benoorden de Alpen. Hij werd op 28 oktober 1466 (of misschien 1469) geboren in Rotterdam als zoon van een priester. Hij bezocht scholen te Gouda, Deventer (1478-1484; sinds 1483 onder het rectoraat van Alexander Hegius) en 's-Hertogenbosch (1484-1486); in de laatste twee plaatsen woonde hij in kosthuizen van de Broeders des gemenen levens. In 1487 trad hij als Augustijner kanunnik in het klooster Steijn bij Gouda in. In 1492 volgde zijn priesterwijding. Vanaf 1495 studeerde hij in Parijs, waar hij naam maakte als literator en privé-docent. In de jaren daarop reisde hij heen en weer tussen Frankrijk, de zuidelijke Nederlanden en Engeland. In deze tijd formuleerde hij zijn ideaal: een herstel van Latijnse letteren en christelijke vroomheid.
Van 1506 tot 1509 reisde Erasmus door Italië. In Turijn werd hem in 1506 een doctoraat in de theologie verleend. Daarna verleef hij enkele jaren hoofdzakelijk in Engeland, onder meer als docent Grieks te Cambridge. Na 1514 verbleef hij regelmatig in de Nederlanden, vooral in de universiteitsstad Leuven. In 1515 kende landsheer Karel van Habsburg hem een jaargeld toe. In deze jaren was Erasmus het gelukkigst: zijn ideaal leek overal in Europa werkelijkheid te worden. Maar de Reformatie gooide roet in het eten. Erasmus kwam tussen twee vuren te staan: katholieken meenden dat zijn kritiek op kerkelijke misstanden Luther in de kaart speelde, terwijl protestanten hem verguisden omdat hij katholiek bleef. Om de druk van de Leuvense theologen te ontvluchten, vestigde Erasmus zich in 1521 te Bazel, de stad van zijn uitgever Johann Froben. In 1524 bond hij alsnog de strijd met Luther aan over het vraagstuk van vrije wil en genade. In 1529 verhuisde Erasmus naar Freiburg im Breisgau; in 1535 streek hij opnieuw in Bazel neer, ondanks pogingen van Maria van Hongarije hem tot een terugkeer naar de Nederlanden te bewegen. Erasmus overleed te Bazel op 12 juli 1536. Zijn laatste woorden sprak hij uit in het Nederlands: Lieve God.
Erasmus heeft zijn vele werken, alle in het Latijn geschreven, in negen categorieën verdeeld. De eerste betreft opvoedkundige werken en verhandelingen over taal en welsprekendheid. De tweede bestaat uit de Adagia, een verzameling commentaren bij meer dan 4000 klassieke zegswijzen. De derde omvat Erasmus' correspondentie, die ruim 3000 brieven telt. De vierde categorie noemde Erasmus zijn 'morele' werken; wij zouden nu spreken van maatschappij- en cultuurkritiek. De Lof der zotheid (1509), zijn beroemdste werk, alsook zijn politieke en pacifistische geschriften horen hier thuis.
De religieuze en theologische werken, waaronder Enchiridion militis christiani (1503), vormen de vijfde categorie. De zesde betreft de uitgave van het Nieuwe Testament: Erasmus was in 1516 de eerste die de gebruikelijke vertaling (de Vulgaat) in geheel herziene vorm uitbracht, na een vergelijking met de Griekse brontekst (al was de Griekse tekst waarover Erasmus beschikte, niet erg best). Van al zijn werken heeft deze vertaling, met de duizenden bijbehorende annotaties, de meeste weerstand onder katholieke theologen gewekt.
De zevende categorie behelst Erasmus' eigen parafrasen van het Nieuwe Testament, de achtste zijn uitgaven van de kerkvaders, waarvan die van Hieronymus (1516) wel de bekendste is. Overigens heeft Erasmus ook van vele werken uit de klassieke Oudheid uitgaven of (in het geval van Griekse auteurs) Latijnse vertalingen bezorgd. De negende categorie tenslotte omvat Erasmus' geschriften tegen zijn protestantse en katholieke tegenstanders.
Geen enkele intellectueel heeft bij zijn leven zoveel aanzien genoten als Erasmus. Niet alleen met alle geleerden van betekenis, maar ook met alle leidende figuren in kerk en politiek stond hij in voortdurend contact. Het nageslacht heeft hem vooral als literator gehuldigd. In de loop van de twintigste eeuw heeft de religieuze inslag van zijn persoon en werk weer meer aandacht gekregen.