Sinds 1634 was de VOC permanent aanwezig in Bengalen, een gebied aan de benedenloop van de Ganges in het noordoosten van India. De eerste contacten waren al in 1607 gemaakt, maar Bengalen had aanvankelijk geen prioriteit. Vanaf 1655 was het een zelfstandig gewest. In 1757 namen de Engelsen de machtspositie van de VOC hier over.
Nadat de VOC in 1658 de Portugezen uit Ceylon (Sri Lanka) had verdreven, richtte haar aandacht zich ook op de in Portugese handen zijnde delen van Malabar (of de Peperkust, in het zuidwesten van India). Gevreesd werd dat de Portugezen deze gebieden als springplank zouden gebruiken om op Ceylon terug te keren. Behalve van strategisch belang was Malabar tevens interessant vanwege de productie van peper. Na vijf expedities wist Rijcklof van Goens in 1663 de verovering van Malabar af te ronden. Ruim 100 jaar later, In 1766, verloor de VOC de laatste steunpilaar (Calicut) in dit gewest.