Zou het onderstaand gedicht van J. M. Dautzenberg kunnen zijn? (zie bron 1 pagina 120)
Festina lente.
Een bloemken, dat te vroeg ontzwelt,
Is dra geveld.
Een aêm, een wind
Uit barre noordergrenzen
Doen slensen,
Der Lente troetelkind.
Ge hoopt te veel, by ‘t vroege fruit,
Van schil of huid
En fyne kleur;
‘t Gewormte schuilt bezonder
Er onder,
En stelt u droef te leur.
Een vrucht, die lust en kracht belooft,
Moet traeg gestoofd ;
De zomergloed
Door herfstenkracht gelenigd,
Vereenigt
Den geest in ‘t druivenbloed.
In bron 2 vindt u een uitleg van het woord 'slenzen' en waar het woord in de literatuur nog meer is gevonden.