Militaire hervormingen bezorgden het Franse leger een voorsprong tijdens de coalitieoorlogen (= de Napoleonistische oorlogen). De massale en weinig getrainde legers noodzaakten de generaals tot een overrompelingstactiek. Het aantal slachtoffers was daarbij zo groot dat vroeger een nederlaag er onvermijdelijk het gevolg van zou zijn geweest. In de man-op-mangevechten die daarop volgden, waren de Fransen door hun overtal weer in het voordeel.
Napoleon richtte de aanval altijd vooral op de hoofdmacht van de vijand. Hij maakte de massale legers beweeglijk. Ook werden er aan regimenten aparte cavalerie- en artillerieafdelingen toegevoegd. Hij viel ook de bevoorradingslijnen van het vijandelijke leger aan.
De tegenstanders van Frankrijk gingen – na geruime tijd pas – naar Frans voorbeeld legerhervormingen
doorvoeren. In 1808 ging Oostenrijk over tot de algemene dienstplicht. Pruisen reorganiseerde het bestuur in datzelfde jaar met het invoeren van vakministeries, waaronder het ministerie van Oorlog. In 1814 werd in Pruisen de algemene dienstplicht ingevoerd. Ook werden reserveonderdelen voor het leger opgezet door de invoering van een verkorte dienstplicht bij eerste opkomst.
De staten Engeland, Rusland, Pruisen en Oostenrijk vormden een nieuwe coalitie, waardoor met een gecoördineerd optreden Russen, Pruisen en Oostenrijkers in oktober 1813 het Franse leger in de ‘Volkerenslag’ bij Leipzig konden verslaan.
Ter zee was de Engelse vloot oppermachtig. De poging van Napoleon om Engelse handelsroutes af te snijden door het veroveren van Egypte mislukte.