De Duitser wetenschapper David Auerbach heeft in het begin van de jaren negentig geëxperimenteerd met bakjes water die onder gecontroleerde omstandigheden bevoren.
Hij merkte dat warm water soms het eerst bevriest, maar niet altijd.
Vooral als de vriezer tussen vijf en tien graden onder nul is, bevriest het warme water het eerst.
Hij zocht de belangrijkste oorzaak daarvan bij superkoeling.
Wat is superkoeling?
Bij vorst het water in een kan in één keer bevriezen, als je het beweegt
(‘Het schijnt dat sommige poelen in Scandinavië bij windstil weer direct bevriezen als je er een steentje ingooit.’)
Zolang er geen onzuiverheid en geen beweging is, kan water een paar graden onder nul nog vloeibaar blijven. Water dat warm is geweest, ondergaat deze superkoeling gemakkelijker.
Door de verwarming zijn veel opgeloste gassen uit het water verdwenen.
Het is daardoor zuiverder geworden.
Warm water koelt daarom gewoon door, en is in één keer bevroren als je de koelkastdeur open doet.
Koud water krijgt eerder een vliesje ijs, en dat belemmert verdere afkoeling.
Aan cola zijn "onzuiverheden" toegevoegd, waardoor het bevriest.
Bij het koolzuurhoudende water treedt vriespuntverlaging op.
Vriespuntsdaling of cryoscopie is het verschijnsel waarbij de temperatuur waarop een vloeistof normaliter vast wordt, daalt als er andere stoffen in opgelost zijn ( in dit geval de koolzuur). Het is één van de colligatieve verschijnselen van een vloeistof.
Via de tweede link is een filmpje van beide te zien.