Toelichting:
Al gevraagd bij de erven A.M.G. Schmidt, is niet van Annie. Het is ook niet van Paul Biegel. Het is een gedicht van voor 1986.
Er was eens een prinsesje met een hoofdvol vuurrood haar
en dat vond ze toch verschrikkelijk zo heel ontzettend naar,
Want als ze naar haar zusjes keek,
een mooie zwarte en een blonde,
dan dacht ze dat die kleuren haar veel beter stonden.
Dan was ze droef, dan was ze boos, dan huilde ze van nijd.
Totdat ze zei: 'Nu is 't genoeg, die haren moet ik kwijt!'
Toen ging er dat prinsesje zonder dat een mens het wist
met potjes en met pannetjes op zoek naar een drogist.
Ze vroeg: 'Heeft u ook verf, ik kom een onsje halen'.
'Wat moet het zijn?', vroeg de drogist, 'Hier is een boek met stalen.
Waar dient het voor? Hier zoek maar uit wat blauw, wat geel, wat groen'.
'Het liefst zwart', zei het prinsesje, 'daarmee kan ik het wel doen'.
Ze holde met haar potjes verf terug naar het kasteel,
de poort door en haar hartje bonsde in haar keel.
De toren in en boven waar de vleermuizen zwerven,
daar is ze met een grote dikke kwast haar haren zwart gaan verven.
Toen liep ze trots omlaag en dacht: 'ziezo, dat zit erop,
nou stukken beter hoor, zo'n mooie zwarte kop.
Maar 's middags kwam de knappe prins. Ik zoek een vrouw', zei hij.
En de koning sprak: 'Hier zoek maar uit, mijn dochters zijn nog vrij'.
De prins keek goed en zei beleefd: 'Mmm, het zijn wel hele mooie,
maar ik houd niet van die kleuren haar, het liefst had ik een rooie'.
Daar stond toen dat prinsesje vreemd te kijken van die vraag.
Oh gunst, nu wou de prins haar niet en zij wou juist zo graag.
Ze riep: 'Ach lieve prins, ik schaam me dood,
ik lijk nou wel zo zwart maar van mezelf ben ik rood'.